ZZP: Ja of Nee? Arbeidsrechtelijke duiding na het arrest FNV/Uber
De juridische status van zelfstandige ondernemers blijft een complex en actueel onderwerp. Recent heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in de zaak FNV/Uber, waarmee nieuwe inzichten zijn ontstaan over de toetsing van het criterium ‘Ondernemerschap’ bij de kwalificatie van arbeidsrelaties. Met dit soort vragen kun je in een vroegtijdig stadium van een procedure alvast de Hoge Raad bij een zaak betrekken in de hoop zo op onderdelen alvast meer duidelijkheid te krijgen. Wat betekent de uitspraak voor opdrachtgevers en ZZP’ers? In dit artikel zal ik daar verder op ingaan.
Het onderwerp ZZP: ja of nee? is actueel
Over dit onderwerp hebben wij als kantoor afgelopen december 2024 nog twee uitgebreide voorlichtingsbijeenkomsten gehouden, waaruit wel duidelijk werd dat deze vraag heel veel opdrachtgevers en zzp’ers bezighoudt. Dit laatste uiteraard vanwege het feit dat vanaf 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium met betrekking tot de beoordeling door de Belastingdienst van arbeidsrelaties is opgeheven. De Belastingdienst hanteert nu weer de normale handhavingsregels bij de kwalificatie van arbeidsrelaties en die regels waren heel veel partijen inmiddels behoorlijk uit het oog verloren. Met deze handhaving gelden ook weer de normale regels voor het opleggen van correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes.
De impact van het FNV/Uber-arrest
Het gerechtshof Amsterdam stelde dus prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de toepassing van het criterium ondernemerschap. De Hoge Raad bevestigde op 21 februari jl. dat alle negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest integraal moeten worden gewogen bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie. Daarmee wordt het criterium ondernemerschap niet slechts als aanvullende factor meegenomen, maar als volwaardig criterium in de beoordeling betrokken.
Arbeidsrecht en fiscale beoordeling hand in hand
Met de hernieuwde handhaving door de Belastingdienst vanaf 1 januari 2025 is het belang van een correcte kwalificatie van arbeidsrelaties groter dan ooit. De gevolgen van een verkeerde inschatting kunnen voor zowel opdrachtgevers als zelfstandigen verstrekkend zijn: naheffingsaanslagen, boetes en verplichtingen rondom sociale verzekeringspremies en pensioenen. Deze benadering van de Hoge Raad (holistische benadering) onderstreept dat alle criteria in samenhang bekeken moeten worden, zonder een vaste rangorde. In het algemeen wordt aangenomen dat de civiele arbeidsrechtelijke beoordeling en de fiscale beoordeling tot dezelfde uitkomst moeten leiden. De beoordeling van de arbeidsrelatie moet dus plaatsvinden aan de hand van de daarvoor geldende arbeidsrechtelijke regels, zoals de Hoge Raad die in het Deliveroo-arrest heeft geformuleerd.
Discussie over het criterium ondernemerschap
Het negende gezichtspunt, ondernemerschap, leidde in de praktijk tot twee interpretaties:
- De ‘8+1’-benadering: eerst wordt beoordeeld of een arbeidsrelatie op basis van de eerste acht criteria als arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt. Pas bij twijfel zou ondernemerschap de doorslag kunnen geven.
- De holistische benadering: alle negen criteria, inclusief ondernemerschap, worden gelijkwaardig in de beoordeling betrokken.
De Hoge Raad kiest nadrukkelijk voor de tweede benadering. Dat betekent dat opdrachtgevers bij het beoordelen van arbeidsrelaties niet kunnen volstaan met een beperkte toets, maar ook goed moeten onderzoeken in hoeverre een zelfstandige zich in economisch opzicht als ondernemer manifesteert.
Verhouding met de Wet VBAR
De uitspraak van de Hoge Raad roept vragen op over de Wet VBAR (Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties), die per 1 januari 2026 in werking zou moeten treden. De wetgever lijkt hierin een benadering te kiezen die dichter bij de ‘8+1’-redenering ligt. Minister Van Hijum heeft al aangekondigd dat het ministerie de gevolgen van het arrest zal analyseren in het licht van deze wetgeving.
Daarnaast speelt de Wet VBAR een rol in het Nederlands Herstel- en Veerkrachtplan. Een vertraagde invoering kan leiden tot vermindering van de Europese subsidie-uitkering aan Nederland, wat extra druk zet op tijdige invoering van deze wet. Een extra denkronde naar aanleiding van FNV/Uber is ook niet bevorderlijk voor de snelheid van behandeling, terwijl het uiteraard wel verstandig is om goede wetten te maken. Ook de afdeling wetgevingsadvisering van de Raad van State gaf het advies om in de toelichting bij de wet nader in te gaan op de toegevoegde waarde van de wet.
Wat betekent dit voor opdrachtgevers en ZZP’ers?
Voor de praktijk blijft op dit moment de uitspraak van de Hoge Raad leidend: alle negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest moeten worden gewogen bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Dit kan betekenen dat binnen dezelfde sector of zelfs binnen hetzelfde bedrijf de ene werker als werknemer wordt aangemerkt en de andere als echte ondernemer, terwijl ze beiden hetzelfde werk doen. Dit vergroot de onzekerheid en benadrukt de noodzaak voor opdrachtgevers om zorgvuldig te documenteren waarom zij een opdrachtnemer als zelfstandige kwalificeren.
Vooruitblik en advies
Het gerechtshof Amsterdam moet nu uitspraak doen in de zaak FNV/Uber met inachtneming van de richting die de Hoge Raad heeft gegeven. Dit kan verdere duidelijkheid bieden, maar ook extra nuances en uitdagingen met zich meebrengen.
Tot die tijd is het voor opdrachtgevers raadzaam om hun screening van zelfstandigen te intensiveren. Vragen die relevant zijn zijn onder andere:
- Hoeveel opdrachtgevers heeft de zelfstandige?
- Hoeveel invloed heeft de zelfstandige op tariefonderhandelingen?
- Hoe manifesteert de zelfstandige zich in het economisch verkeer?
Een proactieve aanpak is essentieel. Het risico van onjuiste kwalificatie en de daarmee gepaard gaande (fiscale) gevolgen zijn te groot om af te wachten. Zorg daarom voor een heldere vastlegging van de argumentatie achter de kwalificatie ZZP of werknemer, en anticipeer daarmee ook op mogelijke wijzigingen in de wetgeving. En dat is dus nog best een hele uitdaging. Ik ben wel van mening dat voor het gros van de gevallen de uitkomst van de beoordeling wel duidelijk is, maar er zullen altijd twijfelgevallen zijn. Juist dan is het nu belangrijk om voor jezelf inzichtelijk te maken waarom je van een bepaalde duiding bent uitgegaan en dat ook vast te leggen.
Conclusie
De uitspraak van de Hoge Raad in FNV/Uber bevestigt dat ondernemerschap een volwaardig criterium is bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Opdrachtgevers kunnen niet langer volstaan met een oppervlakkige toetsing en moeten actief nagaan hoe een zelfstandige zich als ondernemer profileert. De komende tijd zal duidelijk worden of de wetgever de lijn van de Hoge Raad volgt of met de Wet VBAR misschien toch een andere koers blijft varen. Voor nu blijft het zaak om goed voorbereid te zijn en arbeidsrelaties met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te kwalificeren.
Mocht je met ons willen sparren over de vraag ‘ZZP: ja of nee?’, neem dan gerust contact met ons op om je situatie te bespreken en door ons tegen het licht te laten houden.
Harry Scholtens